transouders.nl

Tijd voor actie!

Transouders.nl is een initiatief van 160+ ouders (juli 2024) die niet gehoord werden in de genderklinieken toen zij hun zorgen uitten.

Detransitioners spreken — wat Lisa Littmans survey blootlegt

In 2021 publiceerde Lisa Littman een survey onder 100 mensen die een medische en/of chirurgische transitie hadden ondergaan en daarna detransitioneerden. De uitkomsten zijn ongemakkelijk voor de affirmatieve consensus: een meerderheid vond de beoordeling vooraf onvoldoende, een meerderheid bracht de genderdysforie achteraf in verband met trauma of een psychische aandoening, en slechts 24% liet de eigen behandelaar weten te zijn gedetransitioneerd.

Bron
Lisa Littman (2021), "Individuals Treated for Gender Dysphoria with Medical and/or Surgical Transition Who Subsequently Detransitioned: A Survey of 100 Detransitioners", Archives of Sexual Behavior 50, 3353–3369. Springer-link. Aanbevolen door Cardinal Support Network. Deze pagina is een Nederlandse samenvatting van de studie, geen woordelijke vertaling; alle cijfers komen uit de studie zelf.

Wie zijn de detransitioners?

Littman bevroeg 100 detransitioners: 69% was bij geboorte vrouw, 31% man. Gemiddeld waren ze 21,9 jaar toen ze medische zorg zochten om te transitioneren en 26,4 jaar toen ze besloten te detransitioneren. 96% had cross-sekse hormonen gebruikt. Van de vrouwen had een derde (33,3%) een borstoperatie ondergaan; genitale chirurgie kwam minder voor (1,4% van de vrouwen, 16,1% van de mannen).

Bijna alle deelnemers (98%) identificeerden zich bij de start van hun transitie als transgender, non-binair of beide. Achteraf zei 32,3% alleen te zijn geschaad door de transitie, 17,2% alleen te zijn geholpen en 50,5% allebei. Littman schrijft er zelf bij dat het om een gemakssteekproef gaat, geworven via sociale media en beroepsnetwerken: de uitkomsten zijn niet representatief voor alle detransitioners.

Wat veroorzaakte de dysforie?

De survey vroeg detransitioners terug te kijken op hun dysforie en hun transitie. Hun antwoorden passen slecht bij het beeld van dysforie als een aangeboren mismatch tussen brein en lichaam:

  • 58% gaf antwoorden waaruit blijkt dat zij hun genderdysforie nu toeschrijven aan een trauma of een psychische aandoening.
  • 23% beschreef uit zichzelf, zonder dat de survey ernaar vroeg, dat geïnternaliseerde homofobie of moeite om zichzelf als lesbisch, homo of biseksueel te accepteren een rol speelde bij de dysforie, de transitie en de detransitie.
  • 47,8% van de vrouwen en 12,9% van de mannen maakte in het jaar voordat de dysforie begon een trauma mee.
  • 20% voelde zich door een persoon of een groep mensen onder druk gezet om te transitioneren; in totaal voelde 37,4% druk om te transitioneren.

Deelnemers konden in meer dan één categorie vallen; bij 41% was dat zo. Bij een meerderheid van deze deelnemers stond de dysforie naar eigen zeggen niet op zichzelf. Het gaat om hun eigen terugblik: over oorzaak en gevolg kan deze opzet volgens Littman geen uitspraak doen.

Wat zorgverleners volgens de deelnemers nalieten

De meest onthutsende cijfers gaan over de beoordeling die deze patiënten naar eigen zeggen kregen vóór de transitie:

  • 55% vond dat de beoordeling door een arts of psycholoog vóór de transitie niet adequaat was.
  • 65,3% meldde dat de behandelaar niet had onderzocht of de wens om te transitioneren voortkwam uit een trauma of een psychische aandoening.
  • 46% vond de voorlichting vooraf te positief over de voordelen van transitie en 26% vond die niet negatief genoeg over de risico's; 27% vond de voorlichting over voordelen en risico's accuraat.

Wat een "adequate beoordeling" is, werd in de survey niet omschreven. Littman concludeert dat het niet verkennen van bijkomende problemen en van de context waarin de dysforie ontstond in sommige gevallen kan leiden tot een verkeerde of gemiste diagnose en tot een transitie die niet passend was.

Waarom de detransitie?

De meeste deelnemers (87%) gaven meer dan één reden. De meest gekozen redenen:

  • Zich weer thuis voelen bij het geboortegeslacht (60%). Hun eigen definitie van man en vrouw veranderde.
  • Zorgen over mogelijke medische complicaties van de transitie (49%).
  • De psychische gezondheid verbeterde niet tijdens de transitie (42%).
  • Ontevredenheid over de lichamelijke resultaten (40%): de verandering ging hun te ver.
  • De ontdekking dat de dysforie een specifieke oorzaak had (38%), zoals trauma, misbruik of een psychische aandoening.
  • Discriminatie (23%). Druk van buitenaf kwam minder voor dan de redenen hierboven.

Na de detransitie: de kliniek weet het meestal niet

Slechts 24% liet de arts of kliniek die de transitie had begeleid weten dat zij waren gedetransitioneerd. Littman leidt daaruit af dat klinieken het aantal detransities waarschijnlijk onderschatten. Als betere manieren om met hun dysforie om te gaan noemden deelnemers onder meer gemeenschap (44%), mindfulness of meditatie (41%), beweging (39%) en therapie (24%).

Littman haalt een tweede survey aan, van Vandenbussche (2021) onder 237 detransitioners, waarin veel deelnemers beschreven dat zij na hun detransitie steun verloren of werden buitengesloten uit lhbt-gemeenschappen.

Wat dit betekent voor Nederlandse ouders

Nederlandse cijfers over spijt bestaan, maar ze beantwoorden de vraag naar detransitie niet. In het Amsterdamse cohort (1972-2015) werd spijt vastgesteld bij 0,6% van de transvrouwen en 0,3% van de transmannen die een gonadectomie hadden ondergaan (bron). De Gezondheidsraad schreef in 2026 dat over het aantal gevallen van spijt geen definitieve conclusies te trekken zijn, door de veelal korte follow-upduur en de substantiële uitval in studies, en dat een deel van de mensen die stoppen, spijt hebben of in detransitie gaan dat niet aan hun zorgverleners meldt (bron). Wie als ouder twijfelt aan de voorgestelde route voor zijn kind, kan deze Littman-data gebruiken als gespreksstof: vraag de zorgverlener hoeveel detransitioners de kliniek kent, hoe lang patiënten worden gevolgd en wat er gebeurt met wie uit beeld raakt.

Voor wie nu in detransitie zit

Detransitioners in Nederland kunnen terecht bij internationale netwerken zoals Post-Trans en bij Transouders.nl, die contact onderhoudt met de Nederlandse detransition-community. Genspect heeft met Beyond Trans een eigen programma, met onder meer een begeleide steungroep voor volwassenen die gedetransitioneerd zijn (bron). Niemand hoeft dit alleen door te maken. Hoe vaak detransitie voorkomt, is volgens Littman onbekend.

Bron: Lisa Littman (2021), "Individuals Treated for Gender Dysphoria with Medical and/or Surgical Transition Who Subsequently Detransitioned: A Survey of 100 Detransitioners", Archives of Sexual Behavior 50, 3353–3369. Aanbevolen door Cardinal Support Network in hun Detransition & Recovery-resources.

Vertaald en bewerkt uit het werk van Cardinal Support Network (Verenigde Staten)

← Alle artikelen